Zo stil in mij…

Van de week had ik een gesprek met een cliënte over stressreductie en de technieken die je daarvoor kunt inzetten. “Hoe word jij dan zen?”, vroeg ze mij. Ik moest even schakelen, maar besloot eerlijk te zijn. “Mijn hersenen zijn zen door medicatie. Ik heb zeven jaar een AD(H)D-medicijn (Strattera) geslikt en toen ik twee jaar geleden stopte, gebeurde er iets wat ik niet had verwacht: in plaats van mijn oude kneiterdrukke hoofd terug te krijgen, bleef het stil in mijn brein.”

Rare wereld

Het is een controversieel onderwerp en het is precies waar veel tegenstanders van AD(H)D-medicatie tegen ageren: het idee dat psychofarmaca je hersenen blijvend kunnen veranderen. Terwijl als een hartpatiënt met zijn medicatie zou stoppen en zijn hart ineens beter bleek te functioneren, we ook niet zouden reageren met: wat een gevaarlijk goedje zeg, die betablokkers! We zijn gewend aan medicijnen als symptoombestrijding, niet als geneesmiddel. Terwijl we ze wel zo noemen, rare wereld!

Wij zijn niet ons brein

Waarom hebben we dan zo’n moeite met psychofarmaca? Ik denk omdat we ons brein verwarren met ons ‘zelf’, ons diepste wezen. Ben ik een ander mens dan ik vroeger was? Beslist niet. Ik ben nog net zo direct, geestig (hoop ik dan), non-conformistisch en creatief als ik altijd was. Ik functioneer alleen beter. Impulsiviteit is leuk als ie tot positieve verrassingen en leven in de brouwerij leidt, niet als ie leidt tot het nemen van stomme, ondoordachte beslissingen. En een hoofd dat 24 uur per dag zoemt van de gedachten is vooral enorm vermoeiend en bemoeilijkt een gezonde focus.

Anybody in there?

Wat ik dan van de stilte in mijn hoofd vind? Ik omarm hem.  En ik vind het hoopvol dat ons brein kennelijk zo plastisch is, dat het zijn infrastructuur onder invloed van bepaalde stoffen kan veranderen. Ik weet nog goed dat ik met Strattera begon, en het steeds rustiger werd in die heksenketel van me. Tot het tenslotte simpelweg een groot deel van de tijd stil was. Een hele gekke gewaarwording als je al veertig jaar heel veel moeite hebt om je denken stop te zetten. Ik klopte wel eens glimlachend zachtjes op mijn hoofd, onder de gekscherende uitroep: “Joehoe! Anybody in there?”.

Minder stressvol

Ben ik dan nu genezen van AD(H)D? Nou nee. Ik kan helaas nog steeds niet goed plannen en organiseren en heb moeite met het inschatten van de tijd die taken kosten. Mijn gedachten dwalen veelvuldig af en mijn huis is nog altijd een rommelig geheel, net als mijn administratie. Drukke plekken mijd ik nog steeds en ik hoed me voor een overvolle agenda. Maar die rust in mijn hoofd… Die wel-da-di-ge rust… Die maakt mijn leven zóveel minder stressvol! I like!

Vraag het de professional: ADHD en slapen

Slecht slapen en ADHD gaan vaak hand in hand. Slaapproblemen kunnen de ADHD-symptomen verergeren en allerlei andere akelige gevolgen hebben. Gebrek aan energie, prikkelbaar zijn en lichamelijke klachten zijn slechte slapers niet vreemd. Hoe kan je nou zorgen dat je beter gaat slapen? Psychiater Sandra Kooij van PsyQ Den Haag en ADHD Fund legt uit wat vrouwen met ADHD kunnen doen bij slaapproblemen.

Psychiater met decennia ervaring in ADHD

Sandra Kooij houdt zich al tientallen jaren bezig met onderzoek naar en behandeling van ADHD. De laatste jaren zet ze zich actief in voor vrouwen met ADHD omdat er simpelweg te weinig wetenschappelijke kennis is over hoe ADHD-symptomen zich specifiek uiten bij vrouwen. Sandra is zelf een druk bezette dame. Naast haar werk als psychiater schrijft ze boeken, is ze initiatiefnemer van ADHDFund (online crowdfunding van onderzoek), is ze amateurkunstenaar en leert ze sinds kort zingen. “Mensen hebben weleens aan mij gevraagd of ik zelf ook ADHD heb,  ik herken me wel in de passie en energie van ADHD’ers,  ik vind het heel inspirerende mensen!”

Slaapproblemen en ADHD, hoe zit dat?

ADHD en slaapproblemen gaan opvallend vaak samen. In sommige gevallen is het slaapprobleem de aanleiding voor verder lichamelijk of psychologisch onderzoek, omdat mensen simpelweg niet meer functioneren. Hoe zit dat? “Slaapproblemen komen bij bijna iedereen met ADHD voor, zodat je je kunt afvragen of ADHD niet eigenlijk een slaapstoornis is. Vaststaat dat de ernst van ADHD toeneemt door slaaptekort. De vraag is of het omgekeerde ook geldt: of ADHD verbetert door betere slaap. Daar doen we nu onderzoek naar.” Mensen met slaapproblemen en ADHD komen meer dan eens in de hulpverlening terecht met klachten als burn-out, chronische vermoeidheid, stemmingswisselingen, overgewicht en noem maar op.

Soorten slaapproblemen

Gebrek aan slaap heeft enorme impact op het dagelijks functioneren en op de ernst van ADHD-symptomen. Toch heeft niet iedereen dezelfde problemen met slapen. “Er zijn verschillende typen slaapstoornissen bij ADHD (onder andere restless legs, slaap apneu, inslaap problemen), maar de meest voorkomende is de verlate slaapfase, een stoornis van de biologische klok. Dit hangt samen een verlate aanmaak van het slaaphormoon melatonine, zoals wij hebben aangetoond. Dan ga je liefst laat naar bed en laat op. Laat opstaan lukt vaak niet door school of werk, en dan ontstaat slaaptekort. Veel mensen met ADHD slapen maar 5-6 uur per nacht. Dit is veel te weinig, 7-8 uur is optimaal.” Veel mensen me ADHD zijn zelfbenoemde nachtvlinders en kortslapers. Dit wordt door onderzoek bevestigd.

Impact van slaapproblemen

Slaaptekort kan tot ernstige problemen leiden in het dagelijks leven. Niet alleen ben je moe na een slechte nacht (of meerdere slechte nachten), ook vele andere aspecten van je leven worden beïnvloed. “Goede slaap is veel belangrijker dan we dachten: voor je aandacht, je stemming, maar ook voor je gewicht en gezondheid op de langere termijn. Door slaaptekort neemt je eetlust toe en zo kan je dik worden. Obesitas leidt weer tot hoge  bloeddruk, hart- en vaatziekten en kanker. Gelukkig kan je deze negatieve spiraal doorbreken met bepaalde maatregelen, melatonine ’s avonds en licht ’s ochtends.” Een goede slaaphygiëne, zoals dat met een mooi woord heet, is onmisbaar om je slaapproblemen in toom te houden.

Hoeveel uren slaap per nacht heb je nodig?

Veel mensen met ADHD zeggen minder of juist meer dan acht uur slaap per nacht nodig te hebben om goed te kunnen functioneren. Hoe kom je er nou achter hoeveel slaap je nodig hebt? “De natuur heeft het zo geregeld dat je 7 tot 8 uur slaap nodig hebt om geestelijk en lichamelijk te herstellen en fit te zijn voor de volgende dag. Mensen die korter slapen hebben meer klachten en ziekten, zo blijkt uit onderzoek. Mensen die zeggen minder slaap nodig te hebben bedoelen vaak dat ze niet langer kunnen slapen. Meer slapen is trouwens ook ongezond! Dus 7 tot 8 u is optimaal.” De truc is niet zozeer achterhalen hoeveel slaap je nodig hebt, maar zorgen dat je minstens 7 uur per nacht kan slapen. Hoe doe je dat?

Nachtrust bevorderen: slaaphygiëne

Wat kan je doen om een goede nachtrust te bevorderen? “Ten eerste: zorg dat je genoeg slaapt en eerder slaapt, dus voor 24:00 uur. Dus zorg voor een goede slaaphygiëne: geen koffie na 20:00 uur en geen fel licht (van schermen) na 21:30 uur. Ten tweede: zorg voor een goed contrast tussen dag en nacht.” Op tijd naar bed en eerder inslapen klinkt lastig. Gelukkig heeft Sandra enkele goede tips:

  • je scherm op ‘nightshift’ zetten na 21:30 uur
  • de tv weghalen uit je slaapkamer, of tv kijken met donkere zonnebril op
  • warm douchen ’s avonds (verhoogt je melatonine spiegel)
  • bedsokken tegen koude voeten (van kou word je wakker)
  • zorgen voor donkere slaapkamer (van licht word je wakker)
  • stoppen met onregelmatige diensten of ze beperken
  • ’s ochtends fel licht opzoeken: minimaal 30 minuten buiten zijn, zonder zonnebril
  • sporten (verhoogt je melatonine spiegel)
  • zoveel mogelijk op zelfde tijd opstaan en naar bed gaan (ritme is steeds hetzelfde)
  • zo nodig 3 mg melatonine om 23 uur
  • zo nodig 30 min lichttherapie ’s morgens (vooral nodig in winter)

“We krijgen binnenshuis te weinig licht om de klok duidelijk te maken hoe laat het is. Dus hoe groter het contrast tussen licht en donker gedurende dag en nacht, hoe beter je slaapritme, en, dat is wel aangetoond, hoe minder ADHD!” Minder slaapproblemen en minder last van ADHD-symptomen, dat klinkt als een geweldige oplossing. Zijn slaapproblemen en ADHD werkelijk zo direct met elkaar verbonden door het verschil in licht en donker?

Licht en slaapproblemen bij ADHD

“In Mexico en Spanje komt minder ADHD voor dan in noordelijker landen bijvoorbeeld. Door het contrast tussen licht en donker te vergroten kun je het zuidelijke effect van meer licht imiteren en kun je beter gaan slapen: met melatonine voor de nacht, en licht ’s ochtends. Omdat het licht in je ogen moet vallen moet je je zonnebril overdag dus zoveel mogelijk thuis laten!” Meer zonnestralen pakken met je ogen om ’s nachts beter te slapen. Het klinkt mooi, maar voor ADHD’ers is dat juist lastig.

“ADHD’ers zijn heel vaak overgevoelig voor licht, zodat ze juist vaker een zonnebril dragen dan anderen. We doen nu onderzoek naar het oog bij ADHD, maar weten al wel dat in je ogen ook dopamine en melatonine receptoren zitten. Die reageren op licht en communiceren met de biologische klok!”

Wat te doen bij slaapproblemen?

Samenvattend is het dus belangrijk om overdag zoveel mogelijk licht te vangen door buiten te zijn, en het ’s nachts donker te houden, jezelf rozig te maken door een warme douche ’s avonds, geen oppeppende middelen te gebruiken (schermlicht, cafeïne), en zoveel als mogelijk een vast  ritme aan te houden. Toevallig heb ik zelf in januari, als onderdeel van een ‘balansweek’, vergelijkbare regels aangehouden voor het slapen. Dat was met veel resultaat! Goed om dat weer strenger toe te passen. Hoe zorg jij dat je beter kunt slapen?

Insomnia

40 was ik toen ik mijn diagnose kreeg. Na een leven van ‘anders’ voelen. Ik had het gevoel dat alles mij meer energie kostte dan anderen, dat ik altijd harder moest werken om dingen te bereiken. En ja… dat klopte dus. ADHD van het overwegend onoplettende type, oftewel ADD, luidde het oordeel. Dat had ik zelf ook al uitgevogeld.

Al zolang ik mij kon herinneren had ik wat ik ‘absences’ noemde. Veelvuldig even wegdromen terwijl je midden in een gesprek, les, boek, tv-programma of waar dan ook zit. Heerlijk in je eigen bubbel. In het geval van een gesprek wel een beetje onhandig, want uh… wat had ik gemist? Maar goed, daar word je steeds handiger in. En bovendien ben ik best slim, dus even opletten en een controlevraag stellen en hoppa, ik kon zelf wel invullen wat de strekking van het gemiste was.

Pammetje

Vervelender waren mijn knetterdrukke hoofd, moeizame energiebalans en slechte in- en doorslapen. Vooral dat laatste sloopte me. Het begon toen ik 17 was, nam extreme vormen aan in mijn 20’er jaren (drie weken achter elkaar zo goed als niet slapen was geen uitzondering) en duurde voort tot mijn toen nieuwe vriend  op mijn 38ste van mij eiste dat ik ‘er wat aan ging doen’, want ik scheerde voor de zoveelste keer in mijn leven langs de conditionele afgrond. Geen pammetje ter wereld wist mij naar Morpheus te krijgen. Na een tip van een – naar later bleek – eveneens ADD-nichtje bracht een antidepressivum uitkomst.

Schaapjes tellen

Een laatste redmiddel, want uiteraard had ik in de loop van mijn leven alle denkbare remedies geprobeerd. Van schaapjes tellen, warme melk, lavendelolie op mijn kussen, tot yoga, ademtherapie, ontspanningsoefeningen, hypnotherapie, acupunctuur, energyhealing, meditatie en ettelijke tientallen voedingssupplementen. Gelukkig was ik niet alleen in mijn misère. Mijn oma, oud-tante, twee tantes, twee nichten en mijn vader gingen mij voor in slapeloze nachten. En waarschijnlijk was slecht slapen niet het enige dat wij deelden. Ongeveer 50% van de
AD(H)D’ers lijdt aan een slaapstoornis.

Aanrommelen

Na mijn diagnose stapte ik over op Strattera. Want hé, ik was niet depressief, ik had AD(H)D! Ik voelde me er okee bij, maar mijn slaap werd nooit meer wat hij met paroxetine was. Je moet wat over hebben voor erkenning. Na een jaar of zes nam de werking van de Strattera af. Ik kreeg het gevoel dat de voordelen niet meer opwogen tegen de nadelen. Er volgde een periode waarin ik met wisselend succes aanrommelde met natuurlijke middelen. Geweldig werd het niet, maar ik viel tenminste niet om. Wel ontwikkelde ik een chronische kaakontsteking en een allergie.

Faalhaas

Met een vermoeid lijf lukte genezen moeizaam, laat staan dat ik de puf had om mijn inmiddels eigen praktijk in stressreductie uit te bouwen. Wat een duivels dilemma…. Ging ik trouw blijven aan natuurlijke remedies (en mijn leven op halve kracht draaien) of zou ik toch maar weer naar Big Pharma grijpen? Ook al voelde ik me een faalhaas – ik, specialist in stressreductie! – de chemie won.

Not me!

Misschien ontdek ik nog eens een biologisch ei van slaap-columbus, dat voor mij werkt. You never know. Maar voor nu kies ik voor mijn rust en stabiliteit. Want ik weet twee dingen zeker: dat ik leef om mijn potentieel te benutten en dat ik niet mijn vader achterna wil. Mijn lieve vader, die ieder chemisch hulpmiddel weigerde, braaf elke avond zijn ontspanningsoefeningen deed en op zijn 59-ste een herseninfarct kreeg. Toentertijd was er weinig bekend over de schadelijke effecten van chronisch slaaptekort. Inmiddels weten we dat te weinig slaap naast veroudering, hersenkrimp en een substantieel groter risico voor ongelukken de kans op een hart- of herseninfarct schrikbarend doet toenemen. En daarom zie ik mijzelf voorlopig veroordeeld tot een pil die de naam heeft een enkeling tot (zelf)moord aan te zetten. Not me! Ik slaap de slaap der onschuldigen. Goddank!

 

Vooruit, uitkijken naar vakantie?

Sinds de basisschool is het hetzelfde liedje. Hoewel we een jaarplanning ontvangen, ieder jaar kan het toch zijn dat de vakantie ons overvalt als een verrassing. De eerste jaren op de peuterschool viel het nog wel mee met de verplichtingen als ouders. Iets maken voor Pasen en een lampion met Sint Maarten, maar het was in ieder geval overzichtelijk.

Activiteiten en verplichtingen plannen

Bij de basisschool namen de verplichtingen toe. Of je ook lees- of luizenmoeder wilde zijn. Mee wilde draaien als klaar-over bij de verkeersbrigade. Meedoen aan sport- en speldagen of de klas versieren met Sinterklaas en Kerst. Dan waren er ook nog de studiedagen waarop je dan met je werkdagen rekening moest houden. Kortom, een ware planning was gewenst op om de juiste dag, met de juiste spullen aan de juiste activiteit mee te doen. Carnaval en een gevulde schoenendoos organiseren voor kinderen met nood, vraagt nou eenmaal meer voorbereiding. We hebben het allemaal gered en allemaal gedaan! Maar het zorgde er soms wel voor dat je door de aankomende vakantie werd overvallen. In ieder geval iets minder rond feestdagen, want daar kan je meestal niet om heen.

Masterplanner

Je kind tekort laten schieten op dé feestdagen en vieringen van het jaar, dat wil je hem toch niet aan doen. Met lastige impulsbeheersing en een korte aandachtsspanne is plannen en organiseren, wat vreselijk saai, een lastig dingetje. De afgelopen jaren is het dan ook een worsteling van jewelste geweest om de gezinsplanning te beheersen. Heel veel lukte wel, maar op tijd komen was dan ook nog wel erg moeilijk. Er was altijd wel wat te doen en optimistich dacht ik dat er kort voor vertrek ook nog wel ruimte was voor een klein klusje.

Overzicht

In mijn omgeving merkte ik dat andere moeders het ook wel druk hadden met dit soort taken en activiteiten, maar dat het ze een stuk gemakkelijker af ging en dat ze in ieder geval meer overzicht hadden. Natuurlijk plande ik ook alle kindervakanties in en zette er een alarm op. Maar ik merkte dat mijn collega’s al, denk ik, na de zomervakantie hadden uitgedokterd wanneer de beste dagen waren om vrij te nemen rondom Kerst en wanneer de beste mogelijkheden waren om de volgende vakantie te boeken. Ik liep dan altijd achter de feiten aan. Als mantra zei ik tegen de kinderen; “vooruit kijken, wat moet je doen”. En bij het sluiten van de deur; “achterom kijken, wat neem je mee”.

Wijzer geworden

Inmiddels zitten de kinderen op de middelbare school en ondersteunen ze als leerlingen zelf bij de sport- en speldagen. De knutselwerkjes, wàt had ik daar een moeite mee, zijn niet meer aan de orde. Gaat het dan nu allemaal een stuk makkelijker? Nee, dat is een ijdele hoop. Pubers hebben lesroosters met veel verschillende uren, leerkrachten en huiswerk. En pubers hebben hersenen in ontwikkeling. Dat betekent wel een enorme vooruitgang maar ook nog een stukje controledrang die je moet leren loslaten.

Consequent zijn

De bezoekjes aan de tandarts zit niet altijd even scherp op hun netvlies. En daarom kijk ik nog steeds met ze mee. En met dat stukje vrijheid wat je daardoor terugkrijgt, ga je invullen met wat andere eigen interesses. Die drang is met de pubers meegegroeid. Het belang  zien van en de behoefte aan structuur, die is er langzaamaan ingekomen. Maar daaraan vasthouden, dat vraagt uithoudings- en doorzettingsvermogen. Want het is best wel een beetje saai om heel behoorlijk consequent vol te houden. En anderen komen ook wel eens te laat, of zeggen een afspraak af. En dat heeft dan zijn invloed op dat zorgvuldige kaartenhuis, de puzzel van de planning.

 

Ook neurotypo’s zijn verstoord

Soms voelt het alsof er twee kampen zijn. Het adhd-is-een-stoornis kamp. En het adhd-is-een-talent kamp. Volgens het eerste kamp bestaan er twee soorten mensen: gezonde mensen en mensen die ‘iets hebben’. En die laatste categorie moet pillen slikken om daar iets aan te doen. In het andere kamp stampvoeten ze als ze dit horen, want adhd is toch juist een talent? Pillen zijn juist uit den boze: waarom chemische troep slikken om je aan de gewono’s aan te passen?

Al sinds ik vorig jaar mijn diagnose kreeg, sta ik vertwijfeld op de tweesprong. Maar ik wil niet kiezen. En volgens mij hoeft dat ook niet.

Verstoord

Het eerste kamp heeft namelijk gelijk: ik heb een stoornis. ADHD-kenmerken verstoren namelijk regelmatig wat ik wil met mijn leven. Dat is een ‘stoornis’ namelijk: een verstoring, niets meer en niets minder. Het betekent niet dat je een slecht mens bent, of dat iemand jou verkeerd in elkaar heeft gezet. Je bent niet ‘gestoord’, maar ‘verstoord’ in je kwaliteit van leven.

Maar ook het tweede kamp heeft gelijk. Want die adhd-bedrading die mij in de weg zit, is tegelijkertijd mijn talent. Mijn ADD maakt mij zowel vergeetachtig en makkelijk afleidbaar als creatief en ruimdenkend. Wij ADHD’ers hebben namelijk van nature niet zoveel rem op onze gedachten en associaties en brengen moeiteloos allerlei schijnbaar ongerelateerde begrippen bij elkaar. Dat in die smeltkroes vanzelf originele ideeën ontstaan, is een vorm van creativiteit die wetenschappers ‘divergent denken’ noemen.

Ah, please!

Ook autisme, het broertje van ADHD, brengt voordelen met zich mee. Veel (maar niet alle) mensen met autisme hebben moeite hun eigen emoties te herkennen. Lastig? Ja, vaak wel. Maar uit onderzoek blijkt dat diezelfde emotieblindheid hen een kei maakt in het nemen van logische beslissingen. Want heel erg in touch zijn met je gevoelens klinkt leuk, maar maakt je ook een makkelijk slachtoffer voor valse argumenten. ‘Ah, please!’, ‘doe niet zo moeilijk’, ‘je bent de allerliefste moeder van de hele wereld, geef me nou maar een snoepje!’. Mensen met autisme raken van dit soort argumenten niet van de wap en blijven onverstoorbaar bij hun standpunt.

ADHD- en autisme-bedradingen hebben dus zowel voor- als nadelen. Maar – en dat is de crux – dat geldt natuurlijk net zo goed voor neurotypische bedradingen! Mensen zonder ADHD sturen hun concentratie gemakkelijk de goede kant op, maar denken minder makkelijk out of the box. Mensen zonder autisme zijn experts op het gebied van gevoel, maar laten zich in discussies veel te makkelijk afleiden door valse argumenten.

Doe maar gewoon

Toch zien we het gebrek aan creativiteit en logica van neurotypische mensen meestal niet als verstoring, maar als ‘gewoon, hoe mensen in elkaar zitten’. En dat is jammer. Het is jammer dat we neurotypische eigenschappen niet wat bijzonderder vinden. Want wat niet bijzonder is, is normaal. En normaal: dat is een norm. Wie niet normaal doet, is verkeerd. Wie niet normaal doet, moet zich aanpassen. Of zelfs z’n boeltje pakken en verdwijnen, toch, minister-president?

Maar er is hoop. Want er zijn momenten waarin neurotypische mensen maar wat graag op een ADHD’er willen lijken, en zich door geen enkele gewone-norm tegen laten houden. Als het carnaval is, of vrijdagavond. Dan wil iederéén ineens een ADHD’er zijn. Gaan ze jolig doen. Nemen ze een pilsje of zelfs een pilletje – ja, een pilletje, zij ook! – om die schotjes in hun hoofd te laten verdwijnen en hun remmingen te verliezen. Of denk aan al die schrijvers die zich zat zuipen om maar inspiratie te krijgen. Niet dat dat per se werkt, trouwens. Nou ja, dat ligt eraan wat je ervan verwacht. Je wordt namelijk alleen creatiever van alcohol als je dénkt dat alcohol je creatiever  zal maken…

Breinboosters

ADHD’er, autist of neurotypo: allemaal nemen we regelmatig stoffen tot ons om onze gemoedstoestand te beïnvloeden. Alcohol, koffie, ritalin, chocola, vitaminepillen, antidepressiva, groene smoothies of xtc. Het één is wat meer sociaal geaccepteerd dan het ander, maar blijkbaar is het heel ‘menselijk’ om invloed uit te willen oefenen op je bewustzijnstoestand. De ene bedrading vraagt er misschien wat meer om dan de andere. Maar echt: ritalin is slechts één van busladingen breinboosters die homo sapiens graag tot zich neemt.

ADHD, stoornis of talent? Misschien is het de verkeerde vraag. Misschien kunnen we beter vragen: hoe zorgen we dat álle mensen, ongeacht hun bedrading, een betekenisvol en fijn leven kunnen leiden? En welke breinboosters zijn effectief en prettig, maar zetten onze gezondheid niet op het spel? Laten we de strijdbijl begraven en de zaak praktisch benaderen. Dat maakt alles een stuk simpeler.

 

 

Resultaten onderzoek ADHD en zelfbeeld deel 3

Neurotransmitters

Eva van Gorp heeft onderzoek gedaan naar de impact van ADHD op het zelfbeeld en welbevinden van kinderen en jongeren op school. Onder andere aan de hand van de enquete die door veel van jullie is ingevuld, heeft zij een beeld kunnen schetsen van de impact van ADHD op het zelfbeeld van kinderen en hoe volwassenen terug kijken op de schoolperiode. In een drieluik zetten we de belangrijkste resultaten op een rijtje, het hele onderzoek is te lezen via deze link.

Resultaten enquete en steekproef zelfbeeld en diagnose ADHD

Slechts 1% van de dertigplussers kreeg een diagnose voor de leeftijd van achtien jaar, tegen 34% van de respondenten onder de 30.

77% van de steekproefgroep stelt dat het zelfbeeld van een ADHD’er negatiever is dan dat van een doorsnee kind.

84% geeft aan akkoord te zijn met de stelling: ‘Opmerkingen op het ADHD gedrag bij kleine kinderen zijn bepalend voor het zelfbeeld van deze kinderen’.

Een beduidende meerderheid, namelijk 91%, vindt dat ADHD invloed heeft op hoe ze nu in de wereld staan of met andere woorden dat ADHD van invloed is op hun welbevinden.

Op de vraag indien het onderwijs beter afgesteld dient te worden op leerstoornissen antwoordde de overgrote meerderheid van de respondenten of 88% bevestigend.

Bij peiling naar lagereschoolervaring antwoordt 44% van respondenten deze periode negatief of uiterst negatief ervaren te hebben tegenover de 32% die er een positieve ervaring aan overhouden.

Voor wat betreft de Middelbareschoolervaring, geeft 53% aan hier een negatieve ervaring bij gehad te hebben tegenover 25% die positief tegenover deze periode staat.

Het welbevinden van de steekproefgroep werd getoetst aan de hand van de vraag ‘Ben je tevreden met hoe je leven tot nu toe verlopen is?’.

Hierop antwoordt 44% ontevreden te zijn met de levensloop en eveneens 44% geeft aan tevreden te zijn over hoe zijn of haar leven verliep.

58% van de respondenten die een diagnose gesteld kregen voor de leeftijd van achtien jaar, zijn tevreden met hun levensloop.

55% van de ADHD’ers zonder comorbiditeit zijn tevreden met hun levensloop, tegenover 60% van de ADHD’ers met comorbiditeit en depressie die ontevreden zijn over hun leven.

Resultaten onderzoek leerkrachten

70% van de leerkrachten geeft aan dat het onderwerp leerstoornissen niet of onvoldoende besproken werd tijdens hun opleiding en 73% geeft aan dat het onderwerp ADHD niet of onvoldoende besproken werd tijdens hun opleiding. Hoe langer het geleden is dat de leerkrachten afstudeerden, des te minder kwamen leerstoornissen in het algemeen of ADHD in het bijzonder aan bod tijdens de opleiding.

100% van de leerkrachten die boven de 20 jaar geleden afstudeerden, zegt dat de onderwerpen leerstoornissen en ADHD zelfs helemaal niet besproken werden.

Leerkrachten in opleiding melden dat er te weinig of geen aandacht geschonken wordt aan de onderwerpen leerstoornissen en ADHD in hun opleiding.

83% van de leerkrachten in opleiding zegt dat het onderwerp leerstoornissen niet of onvoldoende aan bod kwam en 67% zegt dat het onderwerp ADHD niet of onvoldoende aan bod kwam.

70 % van alle leerkrachten geeft aan nooit bijscholing over ADHD te hebben genoten. 30% van al leerkrachten geeft aan de handvaten uit de training te gebruiken.

Ongeacht het jaar van afstuderen, meldt 98% van de leerkrachten reeds leerlingen met ADHD in de klas gehad te hebben.

Wanneer de vraag gesteld wordt of het zelfbeeld van een ADHD’ertje naar hun ervaring negatiever is dan dat van andere kinderen, antwoorden:

– 35,7% van de leerkrachten dat het zelfbeeld van een ADHD’ertje negatiever is

– 19,6% van de leerkrachten dat het zelfbeeld van een ADHD’ertje niet negatiever is De resterende 44,6% wenst zich hier niet over uit te spreken of stelt dat het afhankelijk is van het kind zelf.

Bevindingen psychiater, orthopedagoog en psycholoog/leerkracht

“Het is duidelijk dat hoe chaotischer de school is, hoe sneller het misgaat met ADHD’ers. Regels scheppen duidelijkheid. Het onderwijs is nu veel losser en vrijer en dit veroorzaakt moeilijkheden. Nu komen er veel meer kinderen voor diagnose. Dat komt met name door een gebrek aan structuur in de scholen. Scholen zouden dus kunnen bijdragen aan het niet tot uiting komen van ADHD, door meer structuur te bieden.”

“Want een kind voelt vaak ook al wel van ‘die impulsbeheersing, ik kan daar niet aan doen, dat is eruit vooraleer ik dat nog maar besef, doeme ik heb het weer gedaan’… spijt, schuld, schaamte, snap je? En dat zijn natuurlijk heel nefaste systemen voor een positief zelfbeeld, want hoe kan je nu positief naar jezelf leren kijken als je constant ook vindt dat je over de schreef gaat, dat je de dingen niet goed aanpakt zoals dat het zou moeten, maar dat je niet weet ‘wat is er nu mis met mij en hoe moet ik dat dan anders aanpakken’.”

“Er is soms een stigmatisatie rond ADHD. En dat is jammer want een diagnose moet er juist voor zorgen dat er meer aanvaarding, begrip en meer ondersteuning komt. Dat is niet altijd het geval.”

Meer weten over dit onderzoek of benieuwd naar de bronnen? Bekijk het hele verslag.

Resultaten onderzoek ADHD en zelfbeeld deel 2

Neurotransmitters

Eva van Gorp heeft onderzoek gedaan naar de impact van ADHD op het zelfbeeld en welbevinden van kinderen en jongeren op school. Onder andere aan de hand van de enquete die door veel van jullie is ingevuld, heeft zij een beeld kunnen schetsen van de impact van ADHD op het zelfbeeld van kinderen en hoe volwassenen terug kijken op de schoolperiode. In een drieluik zetten we de belangrijkste resultaten op een rijtje, het hele onderzoek is te lezen via deze link.

Psycho-educatie ADHD

De drie steekproefgroepen, met name de respondenten uit de onderwijssector, de ADHD’ers zelf evenals specialisten uit de zorgsector, stellen dat een betere psycho-educatie noodzakelijk is. De ADHD’ers geven aan dat ADHD als ontwikkelingsstoornis niet echt gekend was in de periode dat ze school liepen. Slechts dertien procent van de respondenten had ook pas een diagnose voor de leeftijd van achttien. Dit gebrek aan psycho-educatie van zowel leerkrachten als de ADHD’ers destijds, lijken de antwoorden dan ook te beïnvloeden. Vandaar dat het zelfbeeld van een kind met ADHD waarschijnlijk negatiever ingeschat wordt door een grote meerderheid van de leerkrachten uit de steekproefgroep. Verder werd de lagere- en middelbare schooltijd door de ADHD’ers  aanzienlijk negatief ervaren, is er bij hen vaak sprake van een negatief welbevinden en is er sprake van een hoge aanwezigheid van depressies, angst- en persoonlijkheidsstoornissen.

De overgrote meerderheid van de respondenten uit de steekproefgroep ‘leerkrachten lagere school’, geeft aan niet of onvoldoende geïnformeerd te zijn over leerstoornissen en ADHD ten tijde van hun opleiding. Minder dan een derde van de leerkrachten geeft aan bijscholing over ADHD genoten te hebben, terwijl op een enkeling na, alle leerkrachten reeds ADHD’ertjes in hun klassen hebben gehad. Een meerderheid van de ‘leerkrachten in opleiding’ meldt eveneens dat het onderwerp ADHD nog steeds niet of onvoldoende aan bod komt, wat de trend enkel bevestigt.

Informatie leerkrachten over leerstoornissen

Conclusie: De overheid onderschat de impact die leerkrachten en scholen hebben op het welbevinden en de verdere toekomst van leerlingen met een beperking. De specialisten benadrukken de prominente rol die het onderwijs inneemt bij vroeg-detectie, maar wijzen er tegelijkertijd op dat er een gebrek aan psycho-educatie heerst in het onderwijs en soms ook bij de de centra leerlingenbegeleiding. .

Het gebrek aan psycho-educatie heeft een negatieve invloed op het welbevinden van ADHD’ers. Het is echter onmogelijk om het positieve effect aan te tonen van een doorgedreven psycho-educatie in de ruime omgeving van opgroeiende ADHD’ertjes, vermits deze factor onvoldoende aanwezig is om deze stelling te kunnen onderbouwen. Het is duidelijk dat het onderwijs een enorme impact heeft op de vorming van het zelfbeeld bij kinderen met ADHD en bijgevolg ook op hun welbevinden. Tot op heden kan deze invloed overwegend negatief genoemd worden. We kunnen dan ook besluiten dat het stellen van een ADHD-diagnose één ding is, terwijl passende begeleiding voor het kind met de beperking een ander ding blijft. Er werden gelukkig reeds stappen in de goede richting gezet.

Succes of falen al jong bepaald

Het succes of het falen van een individu met ADHD in zijn of haar verdere leven, wordt in grote mate bepaald door de manier waarop de omgeving in het jonge leven van dit individu anticipeert op ADHD en indien een vroegtijdige diagnose gekoppeld wordt aan adequate ondersteuning. Het zelfbeeld van een lagereschoolkind met ADHD, ondanks de beperking, kan zeker positief evolueren indien het kind in kwestie, kan terugvallen op de juiste begeleiding van de zorgsector, ouders, individuele leerkrachten, school en CLB als overkoepelend orgaan. Tot op heden blijkt nog steeds een gebrek aan psycho-educatie maar het begin van een positieve evolutie is gemaakt.

De enquêtes tonen volgende significante cijfers:

  • Leerkrachten met meer dan 20 jaar ervaring hebben geen enkele opleiding over leerstoornissen genoten; bij 31% van de leerkrachten met 10 tot 20 jaar ervaring en 43% van de leerkrachten met minder dan 10 jaar ervaring vormt dit wel al een onderdeel van het studie curriculum;
  • ADHD’ers: 34% van de respondenten onder de leeftijd van 30 jaar kreeg een diagnose voor de leeftijd van 18 jaar tegenover 1% van de respondenten die ouder zijn dan 30.

Negatief zelfbeeld bij ADHD

De mening over de invloed van ADHD (en het gebrek aan psycho-educatie) op het zelfbeeld en het welbevinden verschilt nogal: volgens de leerkrachten is de verdeling negatief/positief relatief gelijklopend, terwijl die volgens de ADHD’ers zelf overwegend negatief is, vooral wanneer bovendien sprake is van comorbiditeit wat bij ADHD vaker dan gemiddeld het geval is. De enquêtes kunnen de positieve invloed van psycho-educatie onvoldoende aantonen maar dit wordt wel bevestigd door de diepte-interviews en het literatuuronderzoek. Om deze conclusie hard te maken met resultaten uit het onderwijs en de betrokken ADHD’ers zelf, is verder onderzoek in de toekomst noodzakelijk.

De eindconclusie luidt dat een gedegen kennis van de ontwikkelingsstoornis bij het individu en de ouders, in combinatie met professionele begeleiding en een effectief M-decreet kunnen voorkomen dat een kind in een ‘negatieve spiraal’ terecht komt. Wat zoveel betekent als dat het kind sociaal minder kwetsbaar wordt en meer kans heeft op een gelukkige toekomst. Een vervolgonderzoek naar de impact van het M-decreet op de schoolervaring van leerlingen met een beperking zal in de toekomst uitsluitsel kunnen geven over de doeltreffendheid. Zo kan onderwijs een positieve impact hebben op het welbevinden van kinderen met ADHD.

Meer weten over dit onderzoek of benieuwd naar de bronnen? Bekijk het hele verslag.

Resultaten onderzoek ADHD en zelfbeeld deel 1

Neurotransmitters

Eva van Gorp heeft onderzoek gedaan naar de impact van ADHD op het zelfbeeld en welbevinden van kinderen en jongeren op school. Onder andere aan de hand van de enquete die door veel van jullie is ingevuld, heeft zij een beeld kunnen schetsen van de impact van ADHD op het zelfbeeld van kinderen en hoe volwassenen terug kijken op de schoolperiode. In een drieluik zetten we de belangrijkste resultaten op een rijtje, het hele onderzoek is te lezen via deze link.

Zelfbeeld door feedback

De vorming van het zelfbeeld van een individu is onderhevig aan een levenslang veranderingsproces. De wijze waarop een persoon over zichzelf denkt wordt onder meer gevormd door de verbale en non-verbale feedback die verkregen wordt vanuit de omgeving. Een spreekwoordelijke spiegel wordt voorgehouden. Reacties en de houding van personen waarmee het individu in aanraking komt geven blijk van goed- of afkeuring van het gestelde gedrag. De uiteraard subjectieve interpretatie van deze reacties maakt dat de persoon het gedrag zal trachten aan te passen en zodoende conformeert. Niemand koestert immers de wens uitgesloten te worden.

Kinderen met ADHD ontwikkelen vaker dan kinderen zonder leerstoornis een negatief zelfbeeld. Ze krijgen vaker te horen dat ze ondermaats presteren of dat hun gedrag niet voldoet aan de verwachtingen. De woede-uitbarstingen, soms met voor de omgeving onduidelijke aanleiding, het herhaaldelijk stellen van storend en/of afgeleid gedrag, het kwijt geraken van spullen, de vergeetachtigheid, zijn allen factoren die zeker niet zullen bijdragen om een neutraal beeld van een kind te vormen, laat staan het te behouden. De feedback die deze kinderen vanuit de omgeving krijgen dient voldoende positieve punten te benadrukken om te verzekeren dat ze zichzelf naar waarde leren schatten.

Problemen voor het kind en de omgeving

De ontwikkelingsstoornis ADHD veroorzaakt problemen voor het kind en de omgeving. Wanneer ouders en leerkrachten het gevoel hebben dat een kind onbereikbaar is of indien het lijkt alsof het meestal niet ‘wil’ luisteren, wanneer het kind ook nog ondoordacht te werk gaat en het niet kan blijven zitten maar vaak van zijn plaats in de klas wegloopt, indien het bovendien praat voor z’n beurt en het ook in een rustige zonder aantoonbare reden in een constante ‘overdrive’ vertoeft, dan is er misschien sprake van de ontwikkelingsstoornis ADHD.

ADHD wekt vaak frustraties op. In de klas of thuis kan een kind met ADHD, door de lichamelijke onrust en een stoornis in het richten van de aandacht, niet opvangen wat de leerkracht of ouders zeggen. Het wordt pas echt verwarrend wanneer datzelfde kind helemaal geen aandachtsproblemen ondervindt wanneer het zich kan storten op iets dat hem of haar boeit en zich er uren in blijkt te kunnen verdiepen. Ook dragen situaties waarbij het kind zich voor de zoveelste keer niet aan de afspraken houdt, ondanks de vele beloftes en de goede voornemens, er niet toe bij om een zorgeloze en positieve atmosfeer in de klas of in gezinsverband neer te zetten.

Hoge eisen

Kinderen met deze aandoening stellen namelijk veel hogere eisen aan de opvoedingskwaliteiten en de inzet van ouders en leerkrachten en aan de verdraagzaamheid van de sociale omgeving dan kinderen gemiddeld doen. Het is dan ook begrijpelijk dat er frustratie ontstaat en groeit bij ouders, familieleden en begeleiders wanneer hun manier van opvoeden en begeleiden ‘tekort’ schiet.

ADHD-gedrag valt niet louter en alleen te verklaren door de opvoeding. Waar men een paar decennia geleden nog van oordeel was dat kinderen met ADHD enkel en alleen moeilijke, slecht opgevoede ettertjes waren die er enkel op uit waren om de klas op stelten te zetten en het gezag van ouders en leerkrachten te ondermijnen, hebben de technologische vooruitgang, de vele studies en longitudinaal onderzoek ondertussen aangetoond dat er wel wat meer aan de hand is dan wat men initieel veronderstelde. ADHD is niet enkel een ‘nurture’ probleem gebleken, maar juist in de hoofdzaak een ‘nature’ aangelegenheid. Zo hebben neurale beeldvorming, neuropsychologie, genetica en neuro-chemische studies nieuw licht geworpen op de werking van de hersenen.

Kenmerken van het ADHD-brein

Consistente data hebben geleid tot hypotheses en conclusies over de kenmerken van een ADHD-brein. Door gebruik te maken van functionele neurale beeldvorming of hersenscans slaagt men er steeds beter in om de pathofysiologie van ADHD en andere aandoeningen verder in kaart te brengen. Studies vergeleken enorme aantallen scans van zowel gezonde als ADHD-breinen. Vanuit deze data werden een aantal hypotheses met hoge waarschijnlijkheidsgraad gesteld en conclusies geformuleerd.

Zo zou bij de ontwikkeling van ADHD onder meer de betrokkenheid aangetoond zijn van het frontostriatale netwerk, de zenuwbanen die de frontale kwab van onze hersenen verbinden met de basale ganglia. Bovendien werd een wijdverspreid disfunctioneren van de neurale systemen en meerdere verstoorde ontwikkelingstrajecten gesignaleerd. Verder heeft men opgemerkt dat de hersenen van een persoon met ADHD gemiddeld 5% kleiner zijn dan deze van een individu zonder ADHD. En stelt men dat de ontwikkelingsachterstand zich juist voordoet in de gebieden die verantwoordelijk zijn voor impulsbeheersing, organisatie, planning en aandacht. Ook meet men beduidend minder activiteit in een ADHD-brein in vergelijking met normale hersenen.

Neurotransmitters en dopamine

Genetisch-moleculaire studies zouden dan weer een ontregeling van neurotransmittersystemen aantonen. Neurotransmittersystemen zijn verantwoordelijk voor de dopamineregeling en kunnen hoogstwaarschijnlijk gezien worden als de oorzaak van de genetische ontvankelijkheid voor ADHD. Op microscopisch niveau stelt men dat er sprake is van een verstoorde neurotransmissie bij een individu met ADHD en dit ter hoogte van de synapsen, of schakelcellen in de hersenen. Meer in detail betekent dit dat er bij een normale hersenwerking dopamine, boodschapper-stofjes tussen hersencellen, vrijgegeven wordt door de ene zenuwcel en via de synaptische spleet informatie doorgeeft aan de volgende. Dit terwijl er in een ADHDbrein sprake zou zijn van ‘hyperactieve heropname van dopamine’, wat zou resulteren in een verstoorde of te lage neurotransmissie. Verschillen in fysionomie zijn dus waarneembaar en meetbaar geworden. De technologische vooruitgang zal in de toekomst ongetwijfeld nog tot vele ontdekkingen en doorbraken op dit terrein leiden.

Oorzaak ADHD

Wat is juist geweten over de oorzaak van ADHD? Ondanks de vele studies en de enorme technologische vooruitgang, heeft de medische onderzoekswereld tot op heden de exacte oorzaak voor de ontwikkeling van het complexe ADHD-ziektebeeld nog niet volledig in kaart kunnen brengen. Wel heeft men kunnen achterhalen dat talloze genetische, biologische en omgevingsfactoren de risicofactoren kunnen vormen. Onafhankelijk van elkaar hebben deze factoren slechts een kleine impact, maar wanneer ze simultaan voorkomen is de kans groter dat deze neurobiologische stoornis zich ontwikkelt of tot uiting komt.

Meer weten over dit onderzoek of benieuwd naar de bronnen? Bekijk het hele verslag.

Een hooiberg vol knipperende pijlen

Neurotransmitters

Aan alle kanten twijfelen mensen aan het bestaan van ADHD. Knap irritant, want zo word je in de verdediging gedrongen. En wat doe je dan? Dan zoek je op of je stoornis misschien te herleiden is tot je hersenen. Wij zijn immers ons brein, zo schijnt het. Het is in de grijze blubbermassa achter ons voorhoofd waar we de verklaringen zoeken.

ADHD & de hersenen

Ik schrok toen ik las  dat  ADHD’ers helemáál geen hogere dopaminetransporterdichtheid hebben dan niet-ADHD’ers. Niet dat ik enige idee had wat dopaminetransporters zijn. Toch had ik de term vaak genoeg lang zien komen. Het was zo’n woord dat in fel neonknipperlicht uitschreeuwt: “ADHD bestaat! Echt waar!” Was dat dan zomaar een loze reclameboodschap, zoals zo veel neonletters – iets om niet al te serieus te nemen?

Ik besluit om eens met Sandra Kooij te bellen. De psychiater die het bestaan van ADHD bij volwassenen in Nederland op de kaart zette, moest hier toch meer van weten, dacht ik. Wist ik veel dat ik me vervolgens dagenlang zou verdiepen in zenuwcellen, receptors, neurotransmissie en hyperactieve heropnames, en dat ik een blogpost zou typen die drie keer zo lang is als normaal. Echt, het spijt me lezers. Maar ik weet nu tenminste waarom ik zo naar suiker verlang als ik me niet kan concentreren. Ik weet waarom mijn hoofd zo lekker rustig word als ik mijn pilletje slik. Belangrijker nog: ik ben er nu van overtuigd dat mijn brein wel degelijk anders werkt dan die van de andere 95% van de mensheid. En jij straks ook, als je mijn blog hebt doorgeploegd.

Dopamine

Dopamine. Het klinkt als ‘dope’, drugs. Maar eigenlijk is het een soort postbezorger in je hoofd.

De hele dag door doen je hersencellen niets anders dan boodschappen aan elkaar doorgeven. Van ‘kijk, daar vliegt een vogel’ tot ‘goh, ik ben eigenlijk best moe’ naar ‘wacht eens even, ik moet mijn belastingaangifte nog doen’. Al deze boodschappen reizen in die grijze blubbermassa achter je voorhoofd van de ene zenuwcel naar de andere, zodat ze uiteindelijk op de juiste plek terecht komen. Maar hoe doen ze dat eigenlijk?

Dopamine, om te beginnen, is één van de postbezorgers. Want dopamine zorgt ervoor dat de brief – de informatie – van zenuwcel naar zenuwcel reist. Dit alles gebeurt in de schakelcel tussen twee zenuwen in, die ook wel ‘synaps’ heet. “De dopamine wordt gemaakt in de ene hersencel, en gaat naar de cel aan de overkant. Daar hecht het zich vast aan een soort ontvangstation, de ‘receptor’. Op die manier kan een elektrische prikkel van de ene naar de andere cel overspringen.”

Nadat de dopamine de brief naar de andere cel heeft gebracht en ‘m daar in de brievenbus (de receptor) heeft gestopt, en de elektrische prikkel is doorgereisd, heeft de dopamine daar eigenlijk niks meer te doen. En dat is waar dopaminetransporters de hoek om komen. “Dopaminetransporters brengen de dopamine weer terug naar de eerste cel”, legt Sandra Kooij uit. “De dopamine gaat zeg maar op de rug van de transporter zitten, en de transporter brengt de dopamine dan weer terug – zo kun je het je voorstellen.”

Ik moet eerlijk zeggen: ik snapte dit eigenlijk allemaal pas toen ik onderstaand filmpje bekeek. Tip: laat de stem die alle technische details opdreunt maar lekker lullen. Bekijk gewoon wat er gebeurt. (En nee, je ziet dus niet letterlijk een postbode, maar ik vond het wel een lollige vergelijking die het hopelijk een beetje duidelijker maakt.)

Hyperactieve dopaminetransporters

Maar soms gaat er iets mis. De boodschap komt niet goed aan in de andere cel. De brief wordt niet bezorgd. Kooij: “We denken dat dat bij ADHD met de remfunctie gebeurt. Bij ADHD lijkt het of de rem op denken, doen, voelen en bewegen uit staat. Er gebeurt in die hele kleine celletjes iets  waardoor ADHD-symptomen ontstaan.” Wát er precies misgaat in die kleine celletjes, weten we niet. Misschien is er te weinig dopamine. Misschien doet de receptor het niet goed: er is iets mis met de brievenbus waar de brief in moet.

Misschien ook, zo dachten wetenschappers een tijd lang, rennen er zoveel dopaminetransporters rond dat de dopamine niet de kans krijgt om rustig z’n brief in de brievenbus te stoppen. Dat de postbode met de brief in de hand alweer achterop de rug van de dopaminetransporter zit. Een beetje overenthousiaste, hyperactieve dopaminetransporters dus.

Ritalin zorgt ervoor dat de dopamine wat langer de tijd krijgt om de brief in de brievenbus te stoppen, voordat er weer een transporter klaarstaat om ‘m terug te brengen. Logisch dus dat ritalin helpt tegen ADHD, zou je denken.

In dit filmpje legt Sandra Kooij het uit – vanaf het begin tot minuut 3.45.

Klopt het wel?

Maar zijn die dopaminetransporters van ADHD’ers écht zo hyperactief? Het leek eerst van wel. Nou ja, niet zozeer hyperactief, maar ze leken gewoon met tevéél te zijn. Want de eerste keer dat wetenschappers er met een speciale hersenscan naar keken, bleken er in het brein van ADHD’ers wel 70% meer dopaminetransporters rond te hangen. Die zich allemaal dood verveelden en dus met z’n allen afrenden op die arme brievenbezorgers, die geen tijd meer hadden om hun brieven in de brievenbus te stoppen voordat ze weer terug werden gebracht.

Groot nieuws natuurlijk, dat in veel kranten stond. Maar misschien was dat een beetje te vroeg gejuicht. Want bij het volgende onderzoek bleken er alweer wat minder dopaminetransporters in ADHD-breinen te zitten. En bij het derde onderzoek weer wat minder. Totdat wetenschappers zelfs een paar keer mínder transporters  in ADHD-hersenen spotten, dan in niet-ADHD-breinen. Elke keer kwam er weer iets anders uit.

Wel was er één kenmerk dat de uitkomsten bleek te beïnvloeden: de ervaring met medicatie. In ADHD-hersenen die normaal gesproken onder medicatie-invloed waren, hingen tijdens het medicatie-vrije onderzoek meer dopaminetransporters rond dan in ADHD-hersenen die nog nooit een korreltje ritalin of dex hadden  gezien. Misschien, denken de onderzoekers dus, leiden je hersenen wel extra veel transporters op als je een tijdje ritalin of dex hebt geslikt. We weten het niet, maar misschien verklaart dit wel waarom je soms na een tijdje iets meer ritalin of dex nodig hebt voor hetzelfde effect.

Zuurstof en suiker

Verwarrend, al die tegenstrijdige onderzoeken. Maar niet iets om over in paniek te raken, zegt Sandra Kooij. “Dit gebeurt heel vaak in de wetenschap. De ene keer komt er een bepaald resultaat uit onderzoek, de andere keer niet. Dat kan aan de methode, de manier van testen, de proefpersonen, kortom aan van alles liggen, en dat moet je dan uit zien te zoeken. Dat is niet altijd makkelijk. Maar de wetenschap  is er vrij zeker van dat ADHD wel degelijk te maken heeft met dopamine, want dat hangt niet alleen af van die dopaminetransporterdichtheid. Daar zijn genoeg andere aanwijzingen voor.”

Een belangrijke aanwijzing is bijvoorbeeld, dat ADHD-medicatie zo goed werkt. Ritalin en dexamfetamine werken ontzettend goed bij 70% van de ADHD’ers. En allebei zorgen ze voor meer dopamine op cruciale plekken in je brein, ook al doen ze dat op verschillende manieren.

Dat ritalin en dex werken, is goed te zien op hersenscans.  “In hersenscans zien we dat bepaalde hersendelen van ADHD’ers normaal gesproken minder actief zijn. Het gaat om de prefrontale cortex (achter je voorhoofd), de basale kernen (middenin je hersenen), en het cerebellum (de kleine hersenen, achteraan onderin). Dat zijn de hersendelen die je helpen met bijvoorbeeld plannen, of met het reguleren van je impulsen en emoties. Die delen zijn niet alleen kleiner, maar er gaat ook minder bloed, en dus minder zuurstof en suiker naartoe. En zuurstof en suiker zijn de brandstof waarop je hersenen werken.”

Aha! Dus daarom krijg ik altijd zo’n trek in chocoladerepen en appeltaarten als ik even een beetje inkak achter mijn computer. Mijn prefontale cortex, basale kernen en mijn cerebellum hebben dan gewoon honger. Maar even een snoepzak leegeten werkt niet. Want je hebt geen suikertekort, maar een energie-verdelingsprobleem: de suiker en zuurstof in je bloed komen niet op de goede plek terecht. “En dat komt door je erfelijke aanleg”, verheldert Kooij – het is niet een kwestie van een verkeerd eetpatroon of zo. ADHD-medicijnen lossen dat probleem tijdelijk op.  “Als iemand ADHD-medicatie inneemt, dan  zie je op de hersenscan dat die gebieden actiever worden. Dat er meer bloed naartoe gaat.”

Hooiberg

Tot slot is er nóg een aanwijzing dat dopamine een sleutelrol speelt bij ADHD: onze genen. Kooij: “Er zijn een heel aantal dopaminegenen die vaker voorkomen bij ADHD’ers dan bij mensen zonder ADHD. Elk gen verklaart maar een klein stukje van het verschil.” Al leveren die genen ook weer een hoop vraagtekens op. “We weten niet wat een combinatie van genen doet bij een persoon. En we weten niet waarom de één in de familie het wel krijgt en de ander niet, terwijl ze ongeveer dezelfde genen hebben.”

We weten dus een hele hoop niet. “Het is een beetje een speld-in-de-hooiberg verhaal”, beaamt Kooij. “Maar er is gelukkig ook een hoop dat we wél weten.” Die speld, die hebben we nog niet gevonden, maar in de hooiberg staan al wel allerlei pijlen en richtingwijzers te knipperen die ons de weg kunnen wijzen. En die wijzen nog steeds vooral naar dopamine.